Achtergrondinformatie over Ontwikkelingsgericht Onderwijs
Het Ontwikkelingsgericht Onderwijs gaat ervan uit dat kinderen ontwikkelbaar en onderwijsbaar zijn. Door haar omgang met het kind en door een geschikte en uitdagende leeromgeving te creëren, speelt de leerkracht een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen. Het concept van Ontwikkelingsgericht Onderwijs (OGO) werd ontwikkeld door de projectgroep onderbouw van het APS (Algemeen Pedagogisch Studiecentrum) onder leiding van de onderwijspedagoog Frea Janssen-Vos. Het werd in 1985 geïntroduceerd bij de invoering van de Wet op het Basisonderwijs, toen kleuterschool en lagere school samengingen. Ontwikkelingsgericht Onderwijs werd in de loop der jaren uitgebreid tot de bovenbouw. Aan deze manier van onderwijs geven wordt nu verder gewerkt door De Activiteit, landelijk centrum voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs, in Alkmaar in nauwe samenwerking met de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Zone van de naaste ontwikkeling

Aan de basis van ontwikkelingsgericht onderwijs ligt het begrip ‘zone van de naaste ontwikkeling’. De Russische onderwijspsycholoog Lev Vygotsky (1896-1934) introduceerde dit begrip. Hij onderscheidt de zone van de actuele ontwikkeling (wat een kind presteert op een test zonder dat het hulp krijgt) en de zone van de naaste ontwikkeling (wat een kind op een test presteert met hulp). Die zone van de naaste ontwikkeling laat zien waar een kind in zijn ontwikkeling mee bezig is. Dat is het gebied waarop je in het onderwijs kunt inspelen. Je creëert zo nieuwe zones van naaste ontwikkeling. Daarmee zet je een ontwikkelingsproces in gang dat er zonder onderwijs niet zou zijn.
De nadruk bij Ontwikkelingsgericht Onderwijs ligt op ontwikkelen en niet op het leren. Tussen ontwikkelen en leren is een verschil. Ontwikkeling is veel breder dan leren en speelt zich af over een langere periode. Van leren is sprake als een kind iets concreets leert, bijvoorbeeld veters strikken. Dat een kind geleerd heeft zijn veters te strikken, merk je alleen als het kind geen hulp meer vraagt als het zijn schoenen aantrekt. Dat een kind zich ontwikkelt, merk je in zijn hele gedrag en handelen. Bij een kind dat je zeer regelmatig ziet, valt ontwikkeling niet zo gauw op, maar als je een kind een hele tijd niet hebt gezien, merk je dat het zich anders gedraagt. ‘Wat ben je groot geworden’, zegt de omgeving dan bewonderend, maar eigenlijk bedoelen ze: ‘Wat ben jij een stuk verder in je ontwikkeling’.

Sociaal-culturele context

De sociaal-culturele omgeving, de context, zoals dat bij Ontwikkelingsgericht Onderwijs wordt genoemd, speelt bij de ontwikkeling een belangrijke rol. Aan die context geeft de opvoeder samen met de kinderen vorm. Zowel de kinderen als de leerkracht brengen onderwerpen in, maar de leerkracht bepaalt welke activiteiten en welke materialen het beste passen bij de kinderen. Daarbij houdt hij rekening met de belangstelling en de mogelijkheden van het kind en zorgt hij dat de kinderen met echte uitdagende problemen aan het werk kunnen.
Ontwikkelingsgericht Onderwijs gaat ervan uit dat activiteiten alleen het gewenste effect op de ontwikkeling van kinderen hebben als de activiteiten zinvol zijn voor het kind, als ze inhoud en betekenis voor hem hebben. Bij de keuze van activiteiten gaat de leerkracht uit van de mogelijkheden die het kind heeft en die mogelijkheden breid je systematisch uit. Dankzij een juiste keuze van activiteiten zien de kinderen dat de kennis en vaardigheden die zij opdoen, zinvol zijn en bruikbaar in het gewone leven. Dat stimuleert om meer te willen weten én kunnen én om de nieuwe vaardigheden ook in praktijk te brengen.

Kinderen verschillen

Niet alle kinderen ontwikkelen zich in hetzelfde tempo en hebben dezelfde mogelijkheden. Zij hebben ook een verschillende behoefte aan hulp en ondersteuning. Om te weten op welk moment een kind behoefte heeft aan begeleiding of nieuwe impulsen, moet de leerkracht dus goed kijken naar elk kind. Dat betekent veel observeren en nadenken over wat er gebeurt en met welke activiteiten en materialen het kind verder geholpen kan worden. De begeleiding die de leerkracht geeft verschilt per kind. Het ene kind heeft veel uitleg nodig en een concreet voorbeeld, het andere kind wordt met een paar aanwijzingen snel op weg geholpen. Kinderen moeten zelf initiatieven nemen, leren plannen en de verantwoordelijkheid dragen die zij aankunnen. Alleen bij die activiteiten die een kind nog niet zelfstandig aankan, wordt het geholpen. Die momenten kiest de leerkracht bewust. Er wordt niet gewacht tot het kind zelf aangeeft dat het verder wil, maar er wordt het kind actief nieuwe mogelijkheden geboden als het daar aan toe is. De leerkracht stuurt het kind.

Sturende rol leerkracht

De leerkracht speelt bij het ontwikkelingsgericht onderwijs een belangrijke en actieve rol. Hij is degene die de cultuur overbrengt. Hij is er verantwoordelijk voor, dat er een balans is tussen de persoonlijke belangen van het kind en de belangen van de maatschappij. Welke dat zijn kunt u lezen in de missie en het doel van de school. Dat doel gaat verder dan alleen het bereiken van de kerndoelen, zoals die wettelijk zijn vastgesteld. Door van jongsaf deel te nemen aan sociaal-culturele activiteiten, leren kinderen al doende om later betrokken en actieve deelnemers te worden van de maatschappij. Zij leren om kritisch, creatief en zelfverzekerd samen met anderen deel te nemen in grote en kleine samenlevingsverbanden. De leerkracht stimuleert dit door aansluitend op waar kinderen mee bezig zijn onderwerpen uit de alledaagse werkelijkheid binnen de school te halen.

Uitgangspunten van ontwikkelingsgericht onderwijs

·  Kinderen zijn opvoedbaar en onderwijsbaar, onderwijsgevenden spelen hierin een belangrijke sturende rol.
·  Het ontwikkelings- en leerproces vindt vooral plaats vanuit de zone van de naaste ontwikkeling.
·  Kinderen hebben een innerlijke behoefte om deel te nemen aan de sociaal-culterele werkelijkheid. Kinderen leren door deelname aan de sociaal-culturele wereld.
·  Ontwikkeling is een proces van twee kanten: kinderen hebben eigen ontwikkelingskracht en ontwikkelingsdrang en zijn tegelijkertijd afhankelijk van de invloed van de omgeving; in het bijzonder de volwassenen.
·   Kinderen verschillen onderling in ontwikkelingsmogelijkheden, ontwikkelingstempo’s en in de behoefte aan hulp en ondersteuning in ontwikkelen en leren.
·  Ontwikkeling en leren vinden plaats op basis van activiteiten en inhouden die voor kinderen persoonlijk zinvol zijn en betekenis hebben of kunnen krijgen.
·  Ontwikkeling en leren gaan voorspoediger als leerkrachten zich opstellen als partner van kinderen en die onderdelen van activiteiten voor hun rekening nemen die een kind nog niet zelfstandig kan.
·  Ontwikkeling en leren veronderstellen altijd interactie en communicatie. Daarom zijn sociaal/communicatieve situaties noodzakelijk.
Werkwijze

Om zich te kunnen ontwikkelen is het belangrijk, dat een kind vrij is van emotionele belemmering, dat het onderzoekend, nieuwsgierig en ondernemend is en dat het zelfvertrouwen heeft en positief over zichzelf denkt. Het ontwikkelingsgericht onderwijs begint dus bij het scheppen van een goed pedagogisch klimaat.

Spelactiviteiten

Het spel neemt bij ontwikkelingsgericht onderwijs een centrale plaats in, want spelen is leren. Het meest leren kinderen van spelen, als je het spel ondersteunt, kinderen uitlokt om verder te denken, ze op ideeën brengt, maar wel voortbouwend op waar de kinderen zelf mee bezig zijn.
Ontwikkelingsgericht Onderwijs maakt erg veel gebruik van rollenspel. Zowel tijdens het rollenspel als bij de voorbereiding vinden voortdurend interacties plaats en daar leren kinderen van. De interactie tussen kinderen van verschillend ontwikkelingsniveau en interacties met de leerkracht helpen het kind verder in zijn ontwikkeling. De zone van de naaste ontwikkeling kan hier spelenderwijs worden aangesproken. De nadruk ligt daarom ook op gezamenlijke leeractiviteiten in kleine groepjes, waaraan kinderen van een verschillend niveau deelnemen.

Voorbeeld
In de combinatiegroep 1/2 bouwt een groepje kinderen in de bouwhoek aan een spoorbaan. Xander en Elin leggen de rails. Iris bouwt er een stadje bij en Floor is in de weer met koeien en schapen. Ieder speelt zijn eigen spel.
Juf Asja probeert het spel op een hoger niveau te brengen door een gezamenlijk probleem in te brengen. Ze sluit hierbij aan op het thema supermarkt waarmee de groep bezig is. ‘Is er ook een supermarkt in de stad?’, vraagt ze aan Iris. ‘Ja, natuurlijk’, zegt Iris, ‘de mensen moeten ook kunnen eten’. Juf Asja vraagt wat ze eten en waar het eten vandaan komt. De andere kinderen gaan zich nu ook met het gesprek bemoeien. Het voedsel komt van de boer. Het volgende probleem is hoe het dan in de winkels komt. Met de vrachtauto en ja, het kan ook met de trein, maar niet helemaal tot de winkel. Het groepje wordt uitgenodigd om het logistieke probleem hoe het voedsel van de boer uiteindelijk bij de winkels terechtkomt, op te lossen en in beeld te brengen. Samen overleggen ze, de rails wordt aangepast, er komt een melkfabriek bij met een losplaats voor de goederentrein, een melkwagen om de melk naar de fabriek te brengen en bij de stad komt een station om de pakken melk over te laden in vrachtwagens die naar de winkels rijden. Het hele proces wordt in een tekening vastgelegd. Elin, die al kan lezen en schrijven, schrijft er woorden bij: ‘melluk, winkel, koe, boer, oto’. Juf Asja begeleidt het project en schrijft op wat de kinderen doen en wat ze haar vertellen. Van het bouwproject maakt ze foto’s met de digitale camera. Van het resultaat maakt ze samen met de kinderen een PowerPoint presentatie. De kinderen kunnen dan nog eens terugkijken naar wat ze hebben gedaan en op de klassenavond laten ze trots aan hun ouders zien hoe ze in de klas werken.

Zelfstandig werken rond thema’s

Bij Ontwikkelingsgericht Onderwijs wordt er in de midden-en bovenbouw gewerkt rond thema’s. De leerkracht kiest een thema, dat aansluit bij de interesse van kinderen. Alle lesstof is gerelateerd aan het thema. De leerkracht zorgt ervoor, dat alle stof in het thema wordt aangeboden. De leerdoelen, opgesteld door de inspectie, vormen het uitgangspunt. Voordat er met het thema gewerkt gaat worden stelt de leerkracht vast welke doelen de kinderen moeten halen aan het einde van het thema. Deze doelen worden ook getoetst, zodat de leerkracht weet of de kinderen de doelen wel of niet beheersen.
Als er een nieuw thema aan bod komt, gaat de leerkracht eerst met de kinderen in gesprek om er achter te komen wat de kinderen al weten en waar hun interesses liggen. Door het stellen van vragen wekt de leerkracht de nieuwsgierigheid van de kinderen op. Wat weten de kinderen al en wat willen ze nog graag weten. De leerkracht inventariseert de vragen en de kinderen vormen groepjes. Elk groepje houdt zich bezig met het beantwoorden van de vragen die gesteld zijn. De kinderen leren samen te werken, te overleggen en te redeneren. Als de kinderen de vragen beantwoord hebben presenteren ze deze aan elkaar. Dat kan door een spreekbeurt te houden in de klas, maar ook door een muurkrant te maken, een folder, een werkstuk, of een presentatie voor ouders.

Voorbeeld:
Bas uit groep 6 heeft in het ziekenhuis gelegen en een paar kinderen hebben hem in het ziekenhuis bezocht. De leerkracht merkt, dat alle kinderen uit de klas met dit onderwerp bezig zijn en besluit de komende weken over het ziekenhuis te gaan werken. Er wordt gestart met een kringgesprek waarin Bas vertelt wat hem allemaal overkomen is. De kinderen zijn nieuwsgierig en vragen Bas het hemd van het lijf. De leerkracht inventariseert samen met de kinderen alle vragen en schrijft deze op het bord. De leerkracht vormt groepjes van 4 kinderen en elk groepje kiest een aantal vragen uit om te beantwoorden. In de weken die volgen zijn de kinderen bezig met het beantwoorden van de vragen. Eén groepje heeft als vraag: wat doet een dokter allemaal en wat moet je doen om dokter te kunnen worden? Dit groepje besluit om een dokter uit te nodigen. Ze stellen samen een brief op en vragen de leerkracht om hulp. Ze willen ten slotte wel, dat de brief zonder fouten gepost wordt. Als de dokter op bezoek komt hebben ze vragen voorbereid die ze gaan stellen, ze hebben hun klasgenootjes ingelicht over het bezoek en naamkaartjes voor de kinderen geschreven, zodat de dokter hun bij de naam kan noemen. Het bezoek is een succes. De kinderen hebben antwoorden op hun vragen gekregen en de dokter voelde zich welkom in de klas. Een week later presenteren de kinderen aan elkaar wat ze geleerd hebben de afgelopen periode. Elk groepje houdt een spreekbeurt en geeft hierin de antwoorden op de vragen, die ze aan het begin hebben gesteld.